Gegronde klacht wegens schijn van partijdigheid door ongelijke communicatie bij bindende taxatie

Dossiernummer: 25112

Datum uitspraak: donderdag 26 maart 2026

Deze zaak gaat over een taxatie van een woning en een perceel grond in het kader van een gerechtelijke boedelverdeling na echtscheiding. Beide ex-partners hebben gezamenlijk opdracht gegeven tot de taxatie. De klacht richt zich op de wijze waarop de taxateur de opdracht heeft uitgevoerd. Klaagster stelt dat zij en haar ex-partner niet gelijk zijn behandeld, dat er zonder toelichting substantiële wijzigingen zijn aangebracht tussen concepttaxatierapporten en dat door de communicatie en werkwijze de schijn van partijdigheid is gewekt.

De taxateur voert aan dat aanvankelijk onduidelijkheid bestond over de gerechtelijke uitspraak en de formele opdracht, maar dat daarna beide partijen als opdrachtgever zijn behandeld. Hij stelt zorgvuldig te hebben gehandeld gezien de gespannen verhouding tussen partijen en hen gelegenheid te hebben gegeven op concepten te reageren. Volgens de taxateur zijn opmerkingen meegenomen in het definitieve rapport, is het object correct opgenomen en is van partijdigheid geen sprake geweest. De communicatie met de ex-partner zou steeds zijn gedeeld met klaagster.

Het tuchtcollege stelt voorop dat een Register-Taxateur onafhankelijk en transparant moet handelen en ook de schijn van partijdigheid moet vermijden. Vaststaat dat de taxateur, althans een medewerker van zijn kantoor, herhaaldelijk inhoudelijke e-mails uitsluitend aan de contactpersoon van de ex-partner van klaagster heeft gestuurd, ondanks uitdrukkelijke en herhaalde verzoeken om alle communicatie gelijktijdig aan beide partijen te richten. Het tuchtcollege oordeelt dat hierdoor niet is voldaan aan het vereiste van onafhankelijkheid en dat in elk geval de schijn is gewekt van een gebrek aan onpartijdigheid. Dit is tuchtrechtelijk verwijtbaar.

Ten aanzien van de verschillen tussen conceptrapporten oordeelt het tuchtcollege dat de taxateur weliswaar summier heeft gecommuniceerd, maar dat niet is gebleken dat opmerkingen niet zijn meegewogen of dat regelgeving is geschonden. Ook het vragen van akkoord op het definitieve rapport wordt ongebruikelijk maar niet tuchtrechtelijk verwijtbaar geacht. Voor zover de klacht ziet op de inhoudelijke betrouwbaarheid en controleerbaarheid van het rapport, volgt het tuchtcollege klaagster niet.

De klacht wordt deels gegrond verklaard. Vanwege de schending van het vereiste van onafhankelijkheid legt het tuchtcollege de maatregel van waarschuwing op.


Terug naar overzicht