Taxeren bij echtscheiding: extra zorgvuldigheid vereist bij vaststelling van opdrachtgeverschap

Dossiernummer: 26014

Datum uitspraak: dinsdag 30 juni 2026

De klacht betreft een taxatie van een woning in verband met een echtscheiding. Klaagster stelt dat de taxateur niet onafhankelijk, zorgvuldig en professioneel heeft gehandeld. Zij wijst op vermeend non-verbaal contact tussen de taxateur en haar ex-partner, onduidelijkheid over het opdrachtgeverschap, gebrekkige communicatie en het zonder overleg indienen van het rapport voor validatie. Daarnaast voert zij aan dat het taxatierapport feitelijke onjuistheden bevat, de onderhoudstoestand van de woning te positief is beoordeeld, de gebruikte referentieobjecten niet passend zijn en de vastgestelde marktwaarde niet realistisch is. De klaagster verzoekt om nietigverklaring van het taxatierapport.

De taxateur stelt dat hij voor beide partijen optrad als opdrachtgever en onafhankelijk heeft gehandeld. Volgens hem heeft de ex-partner het initiatief genomen en de opdracht verstrekt, maar waren beide partijen belanghebbend en daarom als opdrachtgever opgenomen. De inspectie is op verzoek van klaagster zonder aanwezigheid van partijen uitgevoerd en zorgvuldig verricht. Hij betwist de beschuldiging van fraude, acht de gebruikte referentieobjecten passend en stelt dat eventuele onjuistheden zijn gebaseerd op door beide opdrachtgevers verstrekte informatie.

Het tuchtcollege stelt voorop dat een tuchtprocedure niet kan leiden tot nietigverklaring of aanpassing van een taxatierapport. De waardevaststelling kan alleen marginaal worden getoetst. De inhoudelijke bezwaren tegen het rapport, waaronder de beoordeling van de onderhoudstoestand, de gekozen referentieobjecten en de vastgestelde marktwaarde, acht het tuchtcollege onvoldoende onderbouwd. De taxateur heeft zijn waardering voldoende inzichtelijk en navolgbaar gemotiveerd. Wel oordeelt het tuchtcollege dat de taxateur vooraf had moeten verifiëren en vastleggen wie zijn opdrachtgever was. Hoewel uitsluitend de ex-partner de opdrachtvoorwaarden had ontvangen en ondertekend, werd klaagster in het rapport eveneens als opdrachtgever vermeld. Gezien het belang van het rapport binnen de boedelverdeling had hierbij meer zorgvuldigheid mogen worden verwacht. Daarom is uitsluitend dit klachtonderdeel gegrond verklaard.

De klacht wordt daarom gedeeltelijk gegrond verklaard voor zover deze ziet op het vastleggen van het opdrachtgeverschap. De overige klachtonderdelen zijn ongegrond. Het tuchtcollege ziet, gelet op aard en ernst van het verwijt, geen aanleiding een maatregel op te leggen.


Terug naar overzicht